oktober

Dag toekomst

Het werd me zwart voor de ogen vlak na dat vonnis, en nog zwarter in de weken erna. Hoe diep ik kon zinken, had ik nooit eerder kunnen bevroeden, en dus ook niet hoe moeizaam het zou zijn uit zo’n diepte weer naar adem te happen. Bijna onmogelijk.

Het waren hete zomermaanden. Het bezoek dat ik kreeg, wist het me te zeggen. Vergis je niet, toekomst, veel bezoek kreeg ik niet, en dan nog van mensen die ik eigenlijk nooit had verwacht. Een helper kwam langs (ik weet niet meer of hij zich assistent noemde of psycholoog of nog iets anders; een geestelijke leek het me niet, maar verder heb ik er niets van opgevangen), en ook een verpleegster, of was het een verpleger, en ik denk ook een arts. Iemand met een koffertje met een bloeddrukmeter en nog wat andere medische basisapparatuur. Wat ze registreerden, weet ik niet en het kan me ook niet schelen.

Geen duur uitziende blauwe schoenen en ook geen camel laarsjes, maar een paar doodgewone sneakers droeg mijn nicht, Marit, toen ze die woensdag eind juli langskwam. Wat hadden we vroeger een tijden beleefd, zei ze, onze logeerpartijtjes waren te gek, en wij ook, wat een onbezorgde kindertijd. Dolle pret was het inderdaad geweest in die hete, zomerse weilanden, waar we konden rollebollen tot het avond werd en haar of mijn moeder ons binnen riepen voor het eten. Om na het bad nog urenlang voort te praten in bed, want slapen, dat doe je toch niet als je ‘bij elkaar blijft slapen’, of wel dan?

Wat haar hier bracht, vroeg ik haar, toen er een halve minuut stilte viel. Haar linker ooglid trilde lichtjes onderaan. ‘Die hete zomerdagen,’ zei ze. Zoals we die nu weer hebben, maar nu nog een graad of vijf of soms tien erbij.

Waar ik de streek van onze jeugd had ingeruild voor de grootstad, is zij altijd daar gebleven. De geur van het hooi en de hoogstaande zon hadden haar totaal onverwacht terug gekatapulteerd naar veertig jaar geleden, naar ons als kind van tien. En zo maar, zonder zich verdere vragen te stellen, had ze besloten mij een bezoek te brengen. Ook al hadden we elkaar al minstens twintig jaar niet meer gezien – met familie had ik me al die tijd niet bezig gehouden – onbewust moet ik hebben aangevoeld dat mijn familieverleden onverenigbaar was met de zaakjes waarmee ik me al die tijd wél inliet. Jarenlang gingen zo alle feesten aan me voorbij, en daarmee ook al wie kinderen had gekregen, ja zelfs kleinkinderen. Het misprijzen dat ik lange tijd had gevoeld tegenover mijn ouders, heeft plaatsgemaakt voor verdriet en een onmetelijke spijt, zeker nu ik nog maar één ouder heb, maar daarover misschien later meer, wanneer ik eraan toe ben, in een volgende brief.

Mijn nicht Marit dus, toekomst, kwam op bezoek. Krant en familietamtam hadden elkaar afgewisseld om dat nieuws te brengen. Iedereen had zijn mening, maar ze had alle oordelen naast zich neergelegd en was gewoon, zonder meer, hierheen gekomen, op anderhalf uur rijden. Airco aan en gaan, zoiets.

Ik weet niet of dat oogtrillen een teken van lichte overspanning was in haar drukke leven, of van het ongemakkelijke besef dat tot haar doordrong, dat ik me van die hete dagen nauwelijks bewust kon zijn. Er was de dagelijkse ‘wandeling’ (zoals het dan heet als je enkele rondjes over het centrale plein mag bewegen), maar zo dagelijks is die ook weer niet. Vandaag een personeelstekort, morgen een staking, ook was ik eens ziek, dus als ik de afgelopen maanden gemiddeld drie keer per week buiten ben geweest, zal het goed zijn. Ja, het was warm, maar ik was er niet lang genoeg om het door en door te voelen, en ik denk dat de persoon-met-medisch-toebehoren me iets voorschreef dat maakt dat de dingen maar half doordringen: verdriet, temperatuur, te weinig slaap, te veel slaap. Terug in mijn cel aan de noordkant van het gebouw ging ik verder mijn diepte in, zonder heden en zonder… je weet wel.

Maar Marit zei iets wat me trof. Ze zei dat zo’n hittegolf een beetje is als ziek zijn: als je ziek bent, besef je ook niet meer wat het is om gezond te zijn. Je voelt je nooit ‘gezond’, je voelt het alleen maar als je hele lijf rilt van de koorts, je door het dak gaat van de kiespijn of wanneer je buik van de krampen tegen je rug aan lijkt te plakken. Zo ook met die hitte. ‘Nergens,’ zei ze, ‘vind ik verkoeling, zelfs in onze kelder is het warm!’ Hoe een gewone zomer dan voelt, wanneer de nacht verkoeling brengt en je ’s ochtends wat frisser aan de dag kunt beginnen; hoe een zomer is waarin je nog kon functioneren, kon ze zich midden in die hittegolf totaal niet meer inbeelden.

Met de mist in mijn hoofd, drong het niet meteen tot me door wat me daarin trof. Maar de mist trekt heel langzaam op en ik zie dat wat ze zei, ook geldt voor mijn situatie. En het biedt me troost. Ik weet niet meer hoe het was om gewoon, vrij te zijn. Hier tussen die muren, met alleen mensen rondom me die net als ik wat op hun kerfstok hebben, net als ik wachten op een zeldzame bezoeker of die hun straf nog niet kennen. Hier ben ik iemand anders, niet meer wie ik was: een mens die kon lezen wat ze wilde, chillen op veel te duur designermeubilair, op restaurant gaan, het leventje leiden dat ik me eigen had gemaakt, geld zat. Het troost me dat het iets menselijks is: een situatie die je zo hard inpalmt dat je het andere, het normale, niet meer kunt vatten. Dat voel ik, maar die gewone nicht van me, uit mijn jeugd, met wie ik lief en leed deelde, maar ook heel wat van mijn genen, die nicht die wel op het rechte pad bleef… zij voelt dus iets gelijkaardigs. Al gaat een hittegolf over, en deze straf niet. Of toch?

Marit ging weg, ik zag haar schim door de deur verdwijnen. Wat ze verder nog zei, kon ik niet meer beantwoorden, ik zat dof voor me uit te staren en mocht uiteindelijk terug mijn cel in. De volgende uren, dagen bracht ik in mijn eigen, eenzame duisternis door.

Pas nu, drie maanden later, voel ik af en toe een kleine tinteling. En dus heb ik besloten jou weer af en toe iets te schrijven, toekomst. De psy wil me laten proefdraaien in een werkplek, misschien een dag per week. Ik weet niet of ik dat kan, maar wat heb ik te verliezen?

Heb jij weleens gevoeld, toekomst, hoe een bruistablet een niet te harden hoofdpijn langzaam deed wegebben? Welnu, mijn duisternis is zo’n hoofdpijn, maar dan duizend keer erger, en Marits bezoek en de sprankel die ik voel, is de bruistablet, maar dan duizend keer trager werkend. Zo iets ongeveer voel ik, en dat is vanwaar ik je nu deze woorden toevertrouw.

Misschien lees je me gauw terug, of misschien doe ik er wat langer over.

Britt O.


Plaats een reactie